Wachten

Precies één uur, acht minuten en tien seconden waren we al aan het palaveren. Ik had nooit gedacht dat ik uitgerekend met haar zolang kon praten over vissen, biermerken en eindeloze schooldagen. Om ons gesprek een wending te geven vroeg ik abrupt “Haat jij het ook zo om te wachten?”. Met enige verbijstering keek ze me aan. Het leek wel alsof ze dacht dat ik een nitwit was. “Wachten? Ik hoef helemaal nooit te wachten. Ik doe wat ik wil, niemand zegt me om te wachten. Trouwens, ik haat het niét om ‘ns te wachten want ik hoéf ook nooit te wachten. Wachten is voor mietjes, wachten is verleden tijd. Ik zou niet weten wat jij bedoeld.” was haar onverwijld antwoord. Ik voelde dat het ging vonken, dat er regen in de lucht hing. Ik pikte direct op haar in. “Ik haat mensen zoals jij die zeggen dat ze het haten om niet te wachten. Wie denk jij eigenlijk wel dat jij bent? Kutwijf. Al goed dat ik niet heb gezeurd dat jij te laat was! Weet je wel hoe erg het wel niet is om te wachten? Al héé men leven moet ik wachten. In de wachtkamer bij de tandarts, bij de dokter, aan de kassa bij de kruidenier, op de resultaten van het proefwerk, aan de stoplichten, bij het tafelgaan, op de televisie, radio en consoorten, op mijn rijbewijs, op de snelleveringsdienst, op de trein, maar vooral moet ik wachten op eindelijke ‘ns een zinnig antwoord van jouwerzijds.” Het was eruit. En nadat ik realiseerde dat ze al ettelijke minuten weg moest zijn wachtte ik op de eerstvolgende tram.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *